Steun ons en help Nederland vooruit

Interview Rick ten Have – 50 jaar D66 Amsterdam, lastig en levendig

Dit is een interview uit de speciale publicatie ‘Lastig en Levendig. 50 jaar D66 Amsterdam’. Een van de veteranen van D66 in Amsterdam is jurist en oud-economiedocent Rick ten Have (Delft, 1949). Zeker twintig jaar lang zat hij voor de partij in de Amsterdamse gemeenteraad, onder meer als raadslid en fractievoorzitter.

Tussen 1986 en 1994 was Ten Have wethouder namens D66, en voerde hij onder meer de hondenpenning en betaald parkeren in. ‘Baasjes van de honden moesten we opvoeden om de poep zelf op te ruimen. Nu kun je jezelf daar nog weinig bij voorstellen omdat het zo normaal geworden is.’

Voor Ten Have begint zijn interesse in de politiek al tijdens zijn studententijd in Amsterdam. Hoewel hij lid was van de links georiënteerde studentensociëteit Olofspoort, sprak het liberalisme hem altijd meer aan. ‘Die gevoelens kon ik kwijt bij de Liberale Studenten Vereniging Amsterdam, één van de weinige liberale verenigingen die niet aan de VVD gelieerd was. Dit was voor mij essentieel. Ja, ik bezat liberale sympathieën en kon me prima vinden in VVD-kopstukken als Edzo Toxopeus, Huib Jacobse en zelfs Henk Vonhoff, maar door de opkomst van Hans Wiegel ben ik anders over die partij gaan denken. De rechts-conservatieve invulling die hij aan het liberale gedachtegoed gaf stuitte mij tegen de borst. Daardoor ben ik nooit lid geworden van de VVD. Het probleem was echter: welke partij dan wel? Ik wilde me graag bij een partij aansluiten, want mijn politieke interesse was wel zo groot dat ik een politieke carrière ambieerde. Omdat ik druk bezig was met studeren en het studentenleven heb ik die keuze vooruitgeschoven naar mijn 21ste verjaardag, de dag dat me het actieve kiesrecht zou toevallen.’ Toen hij op 17 februari 1970 jarig was en de kaarsjes uitgeblazen had, zette hij alle partijen op een rij. De rechts-liberale VVD, de protestantse Anti-Revolutionaire Partij en socialistische partijen zoals de PvdA en PSP vielen voor hem af. ‘Daar had ik helemaal niks mee. D66 was de enige partij die overbleef. Maar ja, eigenlijk was en is de beste partij toch de “Partij Ten Have”. Een lastige en levendige partij, iets wat ikzelf ben en dat ik later als lijsttrekker van D66 Amsterdam ook zou uitdragen.’

Hij werd lid en ging naar een partijactiviteit, waar hij prominent Hans Gruijters leerde kennen. Die steunde hem voor om lid te worden van het afdelingsbestuur. ‘Mijn tegenkandidaat was Ilja Schouten, van wie ik de verkiezing won. In het afdelingsbestuur trof ik onder meer Gerrit Jan Wolffensperger, met wie ik prima heb samengewerkt. Na mijn studie bleef ik in het bestuur zitten en solliciteerde ik naar de functie van fractieassistent voor de D66-fractie in de provinciale Staten van Noord-Holland. Daar ben ik later in 1970 aan de slag gegaan. Het was de grootste D66-fractie in Nederland, omdat ze maar liefst negen zetels hadden. De groep was bijzonder te noemen, want ze bemoeide zich met landelijke zaken in de partij. Vanuit de Statenfractie is op een gegeven moment het idee ontstaan om het hoofdbestuur van D66 over te nemen, wat ook lukte. Dat was destijds toch wel een veredelde coup. Ikzelf ben toen in dat nieuwe landelijk hoofdbestuur gegaan en werd later de landelijk penningmeester van D66. Mijn politieke activiteiten namen dus een vogelvlucht.’

 

Het dualisme van D66

Ten Have belandde in 1978 in de gemeenteraad, nadat D66 tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van één naar drie zetels was geklommen. ‘Vanaf begin jaren zeventig was ik voorzitter van de Amsterdamse D66-werkgroep Financiën en Economie. Ik kwam met de werkgroep bijeen om toenmalig fractievoorzitter Arnold Martini van advies te voorzien. Tegelijkertijd leerde ik gemeenteambtenaar Hans Moor kennen, met wie we een proef hebben opgezet om de Amsterdamse begroting te digitaliseren. Dat gebeurde toen nog met ponskaarten. Nu klinkt dat ouderwets, maar destijds was het effectief en zelfs bij de tijd. Het nieuwe systeem gaf ons ook veel inzicht. We ontdekten dat er telkens fictieve procenten bovenop de jaarbegrotingen waren gedaan, waardoor de begrotingen veelal rooskleuriger leken dan ze waren. Via deze weg heeft D66 in Amsterdam zijn naam als een bekwame partij op het gebied van Financiën kunnen vestigen. Ikzelf heb me als kundig bewezen op het gebied van begrotingen en dit pleitte voor mij om de raad in te gaan,’ vertelt Ten Have, die in de jaren voor 1978 ook fractieassistent was geweest. Door de winst bij de raadsverkiezingen mocht D66 aanschuiven in een college met PvdA, CDA en CPN. Lijsttrekker Wolffensperger werd wethouder Herhuisvesting en Ten Have, de nummer twee op de lijst, werd fractievoorzitter. Ernst Bakker trad toe als derde fractielid. ‘Ik nam het fractievoorzitterschap op me en stond een dualistische aanpak voor. Vanaf het begin af aan heb ik duidelijk de lijn gevolgd dat deelname aan het college gebaseerd was op een zakelijke overeenkomst: het collegeakkoord. Voor mij hield dit niet in dat er een soort bloedbroederschap tussen de deelnemende partijen moest zijn. Vooral de PvdA had daar moeite mee. Zij waren het gewend dat de fractie volgzaam was aan haar college. Bij D66 zat dat dus anders. Onze wethouder Gerrit Jan Wolffensperger zat tegelijkertijd in de fractie en dat was normaal, want in die tijd hadden we in de raad een monistisch stelsel waarbij wethouders en raadsleden altijd samen in de fractie zaten. Maar dat betekende niet dat wij binnen de fractie geen kritiek op hem mochten hebben. Regelmatig werd hij kritisch door ons bejegend en dit leidde geregeld tot spanningen.’

De D66-fractie en -afdeling hadden beiden grote bezwaren tegen de komst van de Stopera, het nieuwe stadhuis en operatheater. ‘Wolffensperger had een campagne tegen het project gevoerd, maar moest – eenmaal in het college – de komst van dit reusachtige gebouw slikken. Lange afdelingsvergaderingen en fractievergaderingen volgden waarop een motie van wantrouwen werd ingediend. Uiteindelijk mocht hij alsnog blijven als hij in het college een aantal verbeterpunten aan het gebouw aan de orde stelde.’ Andere kritieke momenten waren er ook. Ten Have: ‘Ernst Bakker zat als raadslid in de commissie Algemene Zaken. Hij rook politieke munt om de PvdA-fractie tegen haar eigen PvdA-burgemeester Wim Polak uit te spelen. Na de rellen in de Vondelstraat, je weet wel met de tank die een kraakpand mede heeft ontruimd, diende Bakker een motie van vertrouwen in het openbare orde-beleid van Polak. De PvdA-fractie was onderling verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de aanpak tijdens de rellen. Door de D66-motie werd de fractie gedwongen een keuze te maken tussen verantwoordelijk bestuur of de zogenoemde mooi-weerpolitiek tegen de krakers. De PvdA’ers stemden verdeeld, maar toch was er in de gehele raad nog geen meerderheid om de burgemeester naar huis te sturen. Wel hadden we een wijze les geleerd: als kleine partij kun je de politiek verhelderen. Als je het slim aanpakt, wordt dat nog gezien en beloond door de kiezer.’

Verder was D66 selectief in de door haar te behandelen onderwerpen in de raad. Ten Have zag andere kleine partijen struikelen. ‘Mijn collega Dick van der Horst van de PPR wilde altijd zo breed mogelijk inzetten. Tijdens de algemene beschouwingen hield hij dan een speech waarin bijna alle onderwerpen moesten terugkomen. Kleine partijen kregen hooguit tien minuten spreektijd. Je zag dat Van der Horst daardoor in tijdnood kwam en inhoudelijk in de knel raakte. Ik dacht: in plaats van alles te willen behandelen, kun je beter keuzes maken en ervoor zorgen dat je hooguit één punt sterk behandelt. Door te focussen op een belangrijk thema lukte het om de mening van D66 op dat onderwerp goed naar voren te brengen. Voor de collega’s en journalisten in de zaal werd zo duidelijk dat wij een inhoudelijk goed verhaal hadden.’

Niet alleen het dualisme was voor Ten Have en D66 van belang. De partij heeft er begin jaren zeventig voor gezorgd dat commissievergaderingen openbaar werden en dwong eind jaren zeventig onder Ten Have’s fractievoorzitterschap af dat burgers mochten spreken in commissievergaderingen. ‘In het begin zei men over het fenomeen inspreken: dat doe je niet en als je dat wel doet, dan vraag je belet aan. Met medestanders zoals Els Agsteribbe van, toen nog, de PSP en Peter Lankhorst van de PPR hebben we het inspreken in de raad toch acceptabel gemaakt. Tegenwoordig is het in Amsterdam doodnormaal dat burgers hun zegje kunnen doen bij een commissiebijeenkomst. Niemand kan zich er iets bij voorstellen dat dit niet zo zou zijn. Inspreken hoort anno 2016 nog steeds bij het democratische proces.’

 

Harddrugs en hondenpoep

Hoewel D66 het er als debutant binnen het college niet slecht van af had gebracht, werd de partij daar bij de verkiezingen van 1982 niet voor beloond: ze zakte van drie naar twee zetels. Wel kon de partij in het Amsterdamse college blijven. Wolffensperger ging door als wethouder en Ten Have als fractievoorzitter. In de periode 1982-1986 bestuurde D66 de stad samen met de PvdA en het CDA. Ten Have had vooral te maken met zijn achterban, van wie bekend was dat het afdelingskader graag met eigen ideeën kwam. ‘Het lid Wouter van Oirschot kwam met een idee om de overlast van hondenpoep te bestrijden. Steeds meer Amsterdammers namen een hond en daarmee nam de hondenpoep op straat toe. Mensen trapten daar in en vonden het onhygiënisch. Onze ledenvergadering stelde daarom in 1984 voor om een hondenpenning in te stellen en de baasjes te verplichten poep zelf op te ruimen. Ik begreep Van Oirschot en de leden wel, maar vond nog niet dat de problematiek rond de hondenpoep de grootste prioriteit had. Binnen de afdeling waren we namelijk ook aan het brainstormen over de aanpak van de overlast van harddrugsverslaafden,’ vertelt Ten Have, die zich grotere zorgen maakte over de leefbaarheid van de stad en de volksgezondheid van de Amsterdammers. Begin jaren tachtig was immers een grote groep probleemjongeren verslaafd geraakt aan cocaïne en heroïne. Met name het gebruik van die laatste drug bracht in de jaren tachtig flinke overlast met zich mee. Winkeldiefstal, tasjesroven, zakkenrollerij en het stelen van autoradio’s waren in het centrum en de oude wijken schering en inslag. Bezoekers en bewoners voelden zich minder veilig, en ook met de gezondheid en psychische gesteldheid van de heroïneverslaafden zelf ging het bergafwaarts. Ten Have: ‘Wij stonden daarom sowieso een legalisatie van softdrugs voor om te kunnen beginnen met het aanpakken van deze problemen. Met de leden die voor de het bestrijden van hondenpoep waren, sloten we daarom in 1984 een compromis. Eerst zouden we werken aan een drugsplan en daarna aan een hondenpoepplan. Aldus geschiedde. We ontwikkelden indertijd een drugsnota die nog altijd de basis vormt van het drugsstandpunt van D66. Zoals gezegd wilden we softdrugs legaliseren. Tegelijkertijd wilden we vrije verstrekking van heroïne door de overheid laten plaatsvinden, zodat de problematiek van de heroïneverslaafden in beeld kon komen en beter aangepakt kon worden. Onze wethouder Gerrit Jan Wolffensperger maakte zich binnen het college hard voor de drugsnota en er kwamen op den duur ook gedoogplekken en stadsbussen met methadon. Onderwijl gingen wij in de fractie en binnen de afdeling door met de hondenpoepnota. Het hondenpoepplan is door toenmalig fractieassistent Boudewijn Oranje in elkaar gezet. Beide nota’s vormden in 1986 de basis voor ons verkiezingsprogramma.’

 

Baasjes opvoeden

In 1986 vertrok Wolffensperger naar de Tweede Kamer en werd Ten Have lijsttrekker. Met het verkiezingsmotto ‘lastig en levendig’ ging de partij naar de stembus. Het lukte D66 om met één zetel te groeien en opnieuw in het college te komen (mede door de terugkeer van Hans van Mierlo als landelijk D66-leider), zij het dat dit pas gebeurde nadat de PvdA en het CDA de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) van toenmalig lijsttrekker Frank Köhler op het allerlaatste moment hadden afgeserveerd. In een nieuw college met de sociaaldemocraten en christendemocraten werd Ten Have wethouder. Hij kreeg een hele rits aan portefeuilles: Milieu, Beheer Openbare Ruimte, Openbare Werken (actief waterbeheer), Herhuisvesting, Juridische Zaken en Verzorgende Bedrijven. ‘De aanpak van de hondenpoep vormde dus één van onze speerpunten tijdens de verkiezingscampagne. Als wethouder Beheer Openbare Ruimte en Milieu werd ik mede daardoor verantwoordelijk voor dit dossier. Boudewijn Oranje, die als fractieassistent de nota Hondenpoep heeft opgesteld, was inmiddels raadslid geworden. Hij en zijn fractieassistent Marcel van den Heuvel, alias mister hondenpoep, dienden de nota Hondenpoep in. De insteek ervan was simpel: de mensen moesten de poep voortaan zelf opruimen,’ weet oud-wethouder Ten Have. Maar het bleef niet bij het weghalen van eigen rotzooi alleen. De gemeente stelde ambtenaren aan die het beleid gingen controleren. ‘Dat doe je door alle honden eerst in kaart te brengen. Iedere hond kreeg een penning en werd geregistreerd, zodat de baasjes aantoonbaar hondenbelasting konden betalen waarmee de handhaving kon worden betaald. Van het belastinggeld werden opruimwagens gekocht, ook wel kakinettes of poepscooters genoemd, waarmee ambtenaren de straat opreden om de poep weg te zuigen. Ook gingen ze naar buiten om hondenbezitters op heterdaad te betrappen, bekeuringen te geven en aan te spreken op hun gedrag.’

Het beleid was gebaseerd op onderzoek dat D66 reeds eerder had laten doen. Daaruit bleek dat de gemiddelde Amsterdammer er voor was om de hondenpoep te bestrijden omdat dit de grootste kleine ergernis was. Tevens bleek dat er twee soorten hondenbezitters waren: een groep die het zelf wilde opruimen en een groep die liever lui dan moe was en de poep liet liggen. Ten Have: ‘We hebben de slag tegen de tweede groep gewonnen door er qua handhaving bovenop te zitten.’ In samenspraak met het Openbaar Ministerie kwam er een strategie voor de pakkans en boetes. De oud-wethouder weet het nog precies. ‘Ons geheim was: doe het klein en intensief. Het op heterdaad betrappen van baasjes die wegliepen van de hondenstront bleek in de praktijk namelijk verdomde moeilijk. Mensen werden daarom beboet op het niet bij zich hebben van een hulpmiddel zoals een plastic zakje waarmee ze de poep moesten opruimen. Naast het uitdelen van bekeuringen deed de gemeente ook aan voorlichting en preventie. Er werden gratis poepschepjes en -zakjes uitgedeeld aan de bevolking, en er kwam een mediacampagne met voorlichting. In die jaren werd de lokale tv-zender Salto opgericht. Als een van de eerste wethouders kwam ik op deze zender om te vertellen over de overlast van hondenpoep en wat baasjes konden doen om een boete te voorkomen, en tegelijkertijd hun stad schoon konden houden. Verder organiseerden we symposia over het tegengaan van hondenstront waar ambtenaren en bestuurders van andere gemeenten op afkwamen. Zo konden zij leren van wat wij hadden bewerkstelligd.’

Het beleid tegen de ontlasting van honden wierp eind jaren tachtig haar vruchten af. ‘De mensen werden opgevoed tot ideale schoonmakers van hondenpoep en wisten begin jaren negentig niet beter dan dat ze het zelf moesten opruimen,’ aldus Ten Have, die tot op de dag van vandaag trots is op zijn beleid. Tegenwoordig woont hij in de Jordaan, waar hij dagelijks een kop koffie met rode port drinkt in café ’t Smalle. ‘Een oude buurvrouw sprak me er onlangs op aan dat het dertig jaar geleden zo erg was met de hondenpoep in de buurt. Ze was blij dat het probleem al jaren opgelost is. Toen dacht ik: dit komt door ons beleid weleer. Dat hebben we als D66 toch maar mooi geflikt.’

 

‘Brezjnev aan de Amstel’

Voor Ten Have kreeg zijn wethouderschap in 1986 meer gewicht door het vertrek van CDA-wethouder Heerma naar Den Haag, waar hij staatssecretaris van Buitenlandse Handel en later Volkshuisvesting werd. ‘Het bouwproject Stopera was toen al in volle gang en viel onder Heerma. Na zijn vertrek was het niet onlogisch dat ik het in mijn profiel zou krijgen, omdat ik de portefeuille Openbare Werken al had. Wethouder Financiën en PvdA-leider Walter Etty – de illustere Jan Schaefer was inmiddels ook naar Den Haag vertrokken – vroeg mij om het dossier over te nemen. Ik wilde dat wel doen. Wel had ik het al stervensdruk met het regelen van mijn andere portefeuilles en managementtaken. In ruil voor de Stopera wilde ik het dossier Herhuisvesting alias Krakers kwijt, want dit kon ik niet samen combineren. Dat heeft Etty geweigerd, waarna het dossier Stopera naar CDA-wethouder Jan van Duijn ging,’ zegt ten Have. Zelf kreeg hij zijn buik vol van de regenteske bestuursstijl van de PvdA, met name van Etty. Binnen de D66-fractie, die naast mij bestond uit Marja Baak en Boudewijn Oranje, was daar eveneens ergernis over. ‘De PvdA’ers in het college vonden mij af en toe lastig,’ zegt Ten Have. ‘Ze wisten niet altijd wat ze aan mij hadden, omdat ik alle dossiers pragmatisch aanpakte en dus nooit dogmatisch te werk ging. Ik kon best goed opschieten met PvdA-burgemeester Ed van Thijn en PvdA-wethouder Louis Genet, waarmee ik veel optrok op het gebied van stadsvernieuwing. Hij en ik werden in 1978 tegelijkertijd gekozen in de raad en later waren we ook beiden fractievoorzitter. De andere wethouders in het college van de periode 1986-1990 waren Ada Wildekamp, Michael van der Vlis, Piet Jonker en Walter Etty van de PvdA. Met name met Jonker was ik het vaak eens, onder meer omdat we beiden economisch geschoold waren en de belangrijke rol van het bedrijfsleven in de stad inzagen. Wel hadden we een meningsverschil over de komst van de nieuwe kolencentrale in Westpoort, waar D66 tegen was en die er uiteindelijk toch kwam. Met CDA-wethouders Mimi Luimstra en Jan van Duijn had ik minder op. Hun positie in het college was ook vrij onzichtbaar.’

Ten Have wilde nooit afhankelijk zijn van de PvdA en het CDA in het college. ‘Als ik een standpunt innam, dan was dat altijd op feiten gebaseerd. Met PvdA’er Etty botste ik mede daardoor regelmatig. Hij was de onderkoning van Amsterdam en vond dat D66 een toontje lager moest zingen. Wij moesten naar zijn pijpen dansen en dat deden we niet. Eens gooide hij zelfs een kopje koffie naar mijn hoofd. De meeste woede had hij over het feit dat ik elke dinsdagmiddag met mijn schoonvader naar de bioscoop ging. Meestal waren we in het Nieuwe De La Mar Theater te vinden, dat toentertijd nog een filmtheater was. Dit deed ik om na de lange collegevergaderingen op de dinsdagochtenden te kunnen ontspannen, maar dat ging er bij Etty niet in. Hij begreep niet dat ik als wethouder middenin de week even een filmpje ging pakken en kon zich daar erg boos over maken,’ aldus de D66’er, die via zijn medewerkers tevens een goede relatie onderhield met journalisten. ‘Een van hen was Hubert Smeets van het NRC Handelsblad. Met hem kwam mijn wethoudersassistent Rente de Weerd op de benaming Brezjnev aan de Amstel, voor de toenmalige bestuursstijl van de PvdA in Amsterdam. Smeets gebruikte die titel in een column, waarin hij de regenteske manier van besturen van de sociaaldemocraten aan kaak stelde. Het beeld van de rode regenten die vanuit hun ivoren toren de stad bestuurden was toen gevestigd en daar kwam de PvdA niet van af. Bij de verkiezingen van 1990 verloor de partij mede daardoor negen zetels.’

Tijdens de gemeenteraadverkiezingen van 1990 lukte het Ten Have om als lijsttrekker grote winst te boeken. De PvdA was in de maanden ervoor in opspraak gekomen omdat ze een nieuwe rector op het Barlaeus Gymnasium zelf wilde benoemen. Dit moest per se een vrouw zijn en tegen dat plan kwamen de ouders en docenten in opstand. Zij vonden dat alleen de beste persoon en niet de beste vrouw aan het hoofd van hun school moest staan. Het frame van Brezjnev aan de Amstel deed de rest. Ook de populariteit van landelijk D66-leider Van Mierlo hielp mee bij de verkiezingen van 1990. De PvdA kromp van 21 naar twaalf zetels en D66 verdrievoudigde onder lijsttrekker Ten Have van drie naar negen zetels. ‘Etty trok zijn conclusies en stapte op. Ook PvdA-kopstuk Van der Vlis vertrok. Ikzelf bleef wethouder en mocht Marja Baak als collega in het nieuwe college van D66, PvdA, VVD en GroenLinks verwelkomen. Overigens kwam dat college uiteindelijk tot stand tijden een etentje in een Volendams visrestaurant. Nadat het college was geïnstalleerd werd op het stadhuis en in de media gezegd dat ik de nieuwe onderkoning van Amsterdam zou zijn. Die rol wilde ik niet spelen. In plaats daarvan hield ik vast aan mijn oude hoedanigheid van kritische pragmaticus in het college en gaf ik alle ruimte aan burgemeester Van Thijn, die onder Etty vaak het onderspit had gedolven. Ik schreef hem een brief waarin ik hem beloofde dat hij voortaan de koning mocht zijn. Dat vond Van Thijn heerlijk. Hij pakte die ruimte om zichzelf te profileren en heeft naar buiten toe met name na de tragische Bijlmervliegramp van 1992 als burgervader geëxcelleerd.’

 

Betalen om te parkeren

‘Langzaamaan kregen de burgers in de stad door dat ze bij wethouder Ten Have terecht konden. Als ze zaken gedaan wilden krijgen, dan konden ze naar me toekomen en werd er mogelijk aan gewerkt. Het contact met burgers heeft voor mij altijd voorop gestaan,’ zegt Ten Have. Tussen 1990 en 1994 was hij wethouder Verkeer en Vervoer. Daaronder viel weer een lange rij aan dossiers. Een greep daaruit: het parkeerbeleid, het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf (GVB), het voorzitterschap van het BOV (Beleidsorgaan Openbaar Vervoer). Daarnaast nog de afvalverwerking, het milieu (actief waterbeheer) en opnieuw het dossier Beheer Openbare Ruimte. ‘Als wethouder openbare werken was ik verantwoordelijk voor de uitvoering van de komst van de Piet Heintunnel en de metrolijn 51 naar Amstelveen. Maar de grootste dagtaak had ik aan het nieuwe verkeersplan, dat voorzag in meer eenrichtingsverkeer en regelde dat de auto’s meer gebruik moesten maken van de ringweg A10. Die was toen net voltooid,’ vertelt Ten Have. Om automobilisten minder gebruik te laten maken van de wegen in de stad en om de verkeersdruk te laten afnemen, werd op verschillende plaatsen in de stad het betaald parkeren ingevoerd. Voortaan moesten bezoekers van de binnenstad en wijken als de Pijp betalen voor hun parkeerplaats. ‘De Jordaan was de laatste buurt die ik van betaald parkeren heb voorzien. Dat was niet eenvoudig. Zo duurde de ambtelijke voorbereiding zeker twee jaar. Alle straatjes moesten stuk voor stuk worden opgemeten en ook was er een standaard maat voor parkeerplekken voor auto’s. Het was een hoop pas- en meetwerk en leverde een boel gedoe op. Ook vergaderden we over vragen als: wat wordt de prijs per uur? En moeten we wel of geen wielklem invoeren voor parkeerders die niet betalen? We kozen voor het gebruik van wielklemmen en een vrij hoog uurtarief. Mijn stelling was: als je het parkeren wil faciliteren, dan moet je het duur maken zodat er voldoende open plekken ontstaan. Daar hebben we voor gekozen. Je moest overal met de auto kunnen komen en die ook overal kwijt kunnen. Door te kiezen voor stapsgewijs betaald parkeren, bleek dat er meer vrije plekken ontstonden en dat er minder mensen ronddoolden in hun auto, op zoek naar een parkeerplaats.’

In de jaren na 1994 doolde Ten Have zelf alles behalve rond. Hij zat tussen 1994 en 1998 nog een keer in de raad, maar dan als gewoon raadslid. Na 2002 nam hij tevens zitting in de deelraad van stadsdeel Centrum. Dat deed hij voor een periode, altijd met zijn pragmatische instelling. Ten Have: ‘In 1992 noemde het toenmalig raadslid Eberhard van der Laan mij een politieke windvaan, omdat hij vond dat ik geen ideologie en visie zou hebben. Ik was het daar niet mee eens. Het enige wat ik altijd heb willen doen is: mijn werk doen. Dat is ook waar D66 grotendeels voor staat. We zijn zowel sociaal als liberaal en hebben een pragmatische kant. Die heb ik altijd voorgestaan en zal ik blijven voorstaan.’

 

Laatst gewijzigd op 24 februari 2021