Steun ons en help Nederland vooruit

woensdag 5 februari 2014

Toetscultuur leidt tot tweedeling

Het Centraal Planbureau (CPB) bracht afgelopen vrijdag een rapport uit waarin zij de vloer aanveegde met het Amsterdamse onderwijsbeleid. De door henzelf veelgeprezen Kwaliteitsaanpak van wethouders Asscher en later Hilhorst (PvdA) zou juist een averechts effect hebben: de Cito-scores op de scholen in de kwaliteitsaanpak hebben zich slechter ontwikkeld dan in de controlegroep.

Hilhorst was er snel bij om op te merken dat het CPB zich te zeer richt op Cito-scores, terwijl het onderwijs volgens hem om veel meer gaat. Ironisch, aangezien Hilhorst zelf verantwoordelijk is voor een norm die inhoudt dat iedere Amsterdamse basisschool een citoscore moet hebben van minstens 534.[1] Een ambitieuze norm: het landelijk gemiddelde ligt namelijk op 535. Hilhorst wil dus bijna dat alle 208 basisscholen in Amsterdam boven het landelijk gemiddelde scoren. Goed te doen als alle kinderen zoon of dochter van de notaris zijn, een vrijwel onmogelijke opgave als de scholieren met een taalachterstand binnenkomen. Naast deze norm brengt de gemeente Amsterdam ook nog eens jaarlijks een scholenwijzer uit, waarin de kwaliteit van een school wordt samengevat met de gemiddelde citoscore en de doorstroom naar VWO en HAVO.

Docenten in heel Nederland ervaren de laatste jaren een steeds dominantere toetscultuur. Afgelopen november luidde de onderwijsraad de noodklok.[2] De gemeente Amsterdam werkt deze afrekencultuur al jaren enthousiast in de hand. Directeuren van basisscholen kregen vroeger van ouders de vraag hoe ze tegen onderwijs aankijken, tegenwoordig moeten ze vooral uitleggen hoe ze zorgen voor goede testscores.

Met name in de rijkere delen van de stad zijn de afgelopen 5 jaar  – sinds de invoering van Asscher’s kwaliteitsaanpak – tientallen trainingsbureautjes ontstaan. Voor zo’n 300 euro per dag geven deze bureaus training voor de Citotoets, zodat kinderen perfect voorbereid worden op die drie o, zo belangrijke dagen in hun kinderleven.[3] De ‘winterschool’ worden deze bureaus ook wel genoemd. De meeste ouders kunnen dit soort extra inspanningen niet betalen. Dat geldt zeker voor ouders van kinderen op zwakke scholen, die voornamelijk in de armere delen van Amsterdam staan. Mogelijk vormt dat een verklaring voor de lagere scores van deze scholen bij de Citotoets: ze moesten het doen zonder toetstraining. Zo ontstaat een tweedeling, waarbij kinderen uit armere buurten nog minder kans maken op doorstroom naar hoger onderwijs, en daarmee naar een goedbetaalde baan. Deze ontwikkeling was voor D66 een reden om af te dwingen dat de Citotoets vanaf volgend schooljaar pas in mei wordt afgenomen, zodat zij geen rol meer kan spelen in het schooladvies.

Al dat trainen voor de toets levert uiteindelijk namelijk weinig op. Inmiddels moet 1 op de 8 jongeren in Amsterdam nog voor het eindexamen het VWO verlaten voor een lager onderwijsniveau. Dat is de helft meer dan in de rest van Nederland.[4]  Trainen voor drie dagen cito is immers iets anders dan een zes jaar VWO voltooien.

De hoofdstad betaalt indirect mee aan deze toetscultuur. Jaarlijks geeft de gemeente Amsterdam een subsidie aan de stichting ‘Weg met CITO-stress!’, een club die kinderen helpt omgaan met de stress die de grote toets met zich meebrengt.[5] Een subsidie om kinderen te helpen omgaan met een toets die door de gemeente Amsterdam tot een norm verheven is. Dat lijkt op een hond die zijn eigen staart achternazit. Tijd om te stoppen met de afrekencultuur.

Dit artikel verscheen in NRC Next van 5 februari 2014. Jan Paternotte en Paul van Meenen zijn resp. Lijsttrekker in Amsterdam en Tweede Kamerlid voor D66